Maatregelen ondernemers

De voorgestelde wijzigingen voor ondernemers zijn vooral aanscherpingen. De belastingvoordelen voor ZZP'ers worden ingeperkt zodat de belastingdruk vergelijkbaar wordt met werknemers. De maatregelen voor multinationals en grote ondernemingen zijn vooral gericht op bestrijding van het (vermeende) misbruik van het Nederlandse Belastingstelsel. Voor de DGA zijn vooral de tariefmaatregelen in de vennootschapsbelasting en de aanmerkelijkbelangheffing relevant.

 

Geen verlaging van het hoge tarief vennootschapsbelasting

In de Wet bedrijfsleven 2019 is een aantal fiscale maatregelen opgenomen zodat Nederland voor ondernemingen een aantrekkelijk vestigingsland blijft. Eén van de maatregelen betrof het in drie jaarlijkse stappen verlagen van het VPB-tarief. In 2020 daalde het lage tarief voor winsten tot en met € 200.000 van 19% naar 16,5%. Het hoge tarief voor winsten vanaf € 200.000 bleef 25%. In 2019 was besloten dat het hoge tarief zou dalen naar 21,7% in 2021. In het Belastingplan 2021 is deze tariefsverlaging teruggedraaid. Het hoge tarief blijft 25% in 2021. Het lage tarief daalt wel, zoals in 2019 besloten, naar 15% in 2021. Verder is nu voorgesteld om de eerste tariefschijf te verlengen naar € 245.000 in 2021 en € 395.000 in 2022. Dit geeft bij elkaar het volgende beeld.

 

Jaar

 

Belastbaar bedrag

Tarief

Belastbaar bedrag

Tarief

2020

 

€ 0 - € 200.000

16,5 %

> € 200.000

25,0 %

2021

 

€ 0 - € 245.000

15,0 %

> € 245.000

25,0 %

2022

 

€ 0 - € 395.000

15,0 %

> € 395.000

25,0 %

Commentaar

De verlaging van het lage tarief vennootschapsbelasting en de stapsgewijze verhoging van de eerste tariefschijf brengt mee dat het aantrekkelijk kan zijn om winsten uit te stellen en kosten naar voren te halen (uiteraard binnen de fiscale kaders).

 

De aanpassingen kunnen ook gevolgen hebben voor de belastingpositie in de jaarrekening 2019 en 2020. Bij de waardering van latente belastingverplichtingen mag geen rekening meer worden gehouden met een verlaging van het hoge tarief.

 

Gezien het grote verschil tussen het lage en het hoge tarief en de oprekking van de eerste tariefschijf wordt het steeds interessanter om fiscale eenheden op te splitsen en om nieuwe dochtermaatschappijen buiten de fiscale eenheid te houden. Het belastingvoordeel kan oplopen tot € 39.500 per jaar per vennootschap (10% tariefsvoordeel x € 395.000 eerste tariefschijf in 2022).

 

Verhoging tarief box 2

Om de belastingheffing van ondernemers globaal gelijk te houden gaat de verlaging van het (lage) tarief van de vennootschapsbelasting gepaard met een verhoging van het tarief in box 2, de zogenaamde aanmerkelijk belangheffing. Deze heffing bedraagt 26,25% in 2020 en geldt voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) met, kort gezegd, een aandelenbelang van 5% of meer. Het tarief van box 2 wordt in 2021 verhoogd tot 26,9%.

 

Jaar

 

Tarief

2020

 

26,25%

2021

 

26,9%

Commentaar

Nu het het tarief verder wordt verhoogd, kan het fiscaal voordelig zijn om nog voor het einde van het jaar een dividenduitkering te doen. Voer om die reden (ruim) voor het einde van het jaar overleg met uw adviseur of een dividenduitkering in uw situatie wenselijk is.

 

Versnelde afbouw zelfstandigenaftrek

In het vorige Belastingplan is de afbouw van de zelfstandigenaftrek, die in 2020 € 7.030 bedraagt, al in gang gezet. De zelfstandigenaftrek wordt als gevolg daarvan met acht stappen verlaagd naar € 5.000 in 2028. In het Belastingplan 2021 wordt nu voorgesteld om de afbouw te versnellen en verder af te bouwen tot € 3.240 in 2036. In 2021 zal de zelfstandigenaftrek uitkomen op € 6.670.

 

 

 

Maximale zelfstandigenaftrek

2020

 

€ 7.030

2021

 

€ 6.670

2022

 

€ 6.310

2023

 

€ 5.950

2024

 

€ 5.590

2025

 

€ 5.230

2026

 

€ 4.870

2027

 

€ 4.510

2028

 

€ 4.120

Commentaar

Met de verdere en versnelde verlaging van de zelfstandigenaftrek sluit het kabinet aan op de conclusies van de Commissie Borstlap om het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen. Vanuit deze doelstelling valt wat ons betreft niet uit te sluiten dat een nieuw kabinet de afbouw nog verder zal willen versnellen. De afbouw van ondernemersfaciliteiten maakt het in het algemeen sneller aantrekkelijk om over te stappen naar de BV als ondernemingsvorm.

 

Verdere beperking renteaftrek

In diverse interviews heeft staatssecretaris Vijlbrief aangekondigd om renteaftrek in de vennootschapsbelasting verder te beperken. In het Belastingplan is daartoe een aanscherping  opgenomen van een bestaande renteaftrekbeperking. Op grond van deze renteaftrekbeperking (art. 10a Wet Vpb 1969) worden bij het bepalen van de winst – onder voorwaarden – de renten op schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon die verband houden met een aantal nader omschreven rechtshandelingen (zoals dividenduitkeringen, kapitaalstortingen en bepaalde acquisities) van aftrek uitgesloten. Onder huidig recht werkt deze aftrekbeperking – door een arrest van de Hoge Raad – in bepaalde situaties als een vrijstelling. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de rente op een schuld op grond van deze bepaling niet aftrekbaar is en er tegelijk een valutawinst op deze schuld wordt behaald, omdat de schuld luidt in vreemde valuta. De valutawinst valt dan ook onder de aftrekbeperking en dit betekent dat deze winst dan in wezen wordt vrijgesteld. Hetzelfde kan spelen in situaties waarin sprake is van een negatieve rente.

 

Het kabinet vindt deze vrijstelling niet wenselijk. De voorgestelde wetswijziging zorgt ervoor dat per kwalificerende schuld de specifieke renteaftrekbeperking per saldo niet langer kan leiden tot vrijstelling van winst. Daartoe dient voortaan per kwalificerende schuld te worden bepaald of het bedrag aan negatieve rente of valutawinst het bedrag aan positieve rente, valutaverlies of kosten overschrijdt. Voor zover dit het geval is, wordt dit saldo niet langer op grond van deze aftrekbeperking buiten aanmerking gelaten bij het bepalen van de winst. Omdat deze maatregel per schuld geldt, kunnen belastingplichtigen op grond van deze wijziging de negatieve rente of de valutawinst ter zake van een kwalificerende schuld niet langer afzetten tegen de uitsluiting van aftrek van positieve renten, valutaverliezen of kosten ter zake van andere kwalificerende schulden.

 

Na de voorgestelde wetswijziging blijft binnen het jaar saldering van renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – per kwalificerende schuld mogelijk, maar kan de aftrekbeperking er niet langer toe leiden dat per kwalificerende schuld per saldo sprake is van een vrijstelling van negatieve rente of valutawinst.

 

Commentaar

Op het eerste gezicht lijkt dit een redelijke maatregel. Men wil voorkomen dat valutawinsten op besmette leningen niet langer worden vrijgesteld. Echter, met valutawinsten is het doorgaans lastig plannen, zodat van belastingontwijking veelal geen sprake zal zijn. Daarnaast bevat de voorgestelde maatregel aanzienlijke overkill. Binnen het jaar mag een rentelast worden verrekend met een eventuele valutawinst op dezelfde schuld. Indien er echter fluctuaties bestaan over de jaren, dan is verrekening niet toegestaan. Dit betekent concreet dat een valutaverlies in jaar 1 niet aftrekbaar is op grond van de aftrekbeperking, maar dat een even grote valutawinst op dezelfde schuld in het jaar 2 niet is vrijgesteld.

 

Daarmee zijn wij er nog niet op renteaftrekgebied. De aanbiedingsbrief bij het Belastingplan bevat namelijk de aankondiging van verdere beperking van renteaftrek in de vennootschapsbelasting in combinatie met de invoering van een vermogensaftrek. Daarbij merkt het kabinet op dat dit een ingrijpende wijziging is en dat daarom eerst moet worden onderzocht hoe deze vormgegeven kan worden. Wordt dus vervolgd. Daarnaast is er nog een maatregel opgenomen over de samenloop tussen de aftrekbeperking voor hybride mismatches en de earningsstrippingbepaling. Onze zienswijze hierop vindt u in het onderdeel Internationaal.

 

Wettelijke vastlegging coronamaatregelen

De impact van het coronavirus op de economie is erg groot. Specifieke sectoren hebben tijdelijk hun deuren moeten sluiten, zelfstandigen zagen hun opdrachten wegvallen en veel werknemers moesten noodgedwongen thuiswerken. De abrupte uitbraak van het virus vroeg om prompte beslissingen in de vorm van spoedmaatregelen. In maart heeft het kabinet het noodpakket banen en economie aangekondigd. Niet alle spoedmaatregelen hadden destijds een wettelijke basis.

 

De staatssecretaris van Financiën heeft voor de noodzakelijke wettelijke verankering de volgende maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2021. Hieronder vindt u een overzicht.

 

Fiscale coronareserve

Een belangrijke tegemoetkoming naar aanleiding van de coronacrisis is de mogelijkheid om te verwachten verliezen die worden geleden in 2020 te verrekenen met gemaakte winsten in 2019 voor bedrijven die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting (de carry-back verliesverrekening). Normaliter geldt hiervoor dat de aanslag over het jaar 2019 definitief moet zijn, en kan de verliesverrekening pas plaatsvinden bij het doen van de aangifte vennootschapsbelasting 2020.

 

Het kabinet wil – evenals de Tweede Kamer – dat bedrijven eerder over deze liquiditeiten van compensabele verliezen kunnen beschikken. Om deze reden is het mogelijk geworden om het verwachte verlies over het jaar 2020 dat verband houdt met de coronacrisis als ‘fiscale coronareserve’ ten laste van de winst van 2019 te brengen. Dit kan  door het indienen van een wijzigingsverzoek voor de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2019 dan wel door het indienen van een (herziene) aangifte vennootschapsbelasting 2019. Voor het vormen van een coronareserve in 2019 gelden kortweg de volgende voorwaarden:

 

  1. Er is sprake van een verwacht coronagerelateerd verlies in het boekjaar 2020;
  2. Het verwachte coronagerelateerde verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht over het boekjaar 2020;
  3. De dotatie aan de coronareserve in het boekjaar 2019 bedraagt maximaal de winst over het boekjaar 2019 die zou gelden zonder de vorming van deze reserve;
  4. De coronareserve wordt uiterlijk in het boekjaar 2020 volledig in de winst opgenomen;
  5. De dotatie aan de coronareserve wordt in de aangifte vennootschapsbelasting 2019 opgenomen in de rubriek overige fiscale reserves.
  6. Bij een gebroken boekjaar wordt de coronareserve gevormd in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020.

 

Hoogte coronareserve

De fiscale coronareserve bedraagt maximaal de fiscale winst over 2019 zonder rekening te houden met deze reserve. Daarnaast mag de fiscale coronareserve niet hoger zijn dan het te verwachten verlies in

2020 als gevolg van de coronacrisis. Indien in 2020 ondanks Corona een winst wordt verwacht, mag in 2019 geen coronareserve worden gevormd. Het vormen van een fiscale coronareserve betekent een

teruggave van de eerder over 2019 betaalde vennootschapsbelasting (en/of een vermindering van de te betalen vennootschapsbelasting 2019). Zoals hiervoor opgemerkt wordt dit geëffectueerd door middel

van het aanvragen van een nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2019 of het indienen van een (herziene) aangifte vennootschapsbelasting.

 

Commentaar

De mogelijkheid van het vormen van een fiscale coronareserve is beperkt tot de vennootschapsbelasting en gaat niet gelden voor de inkomstenbelasting. De staatssecretaris voert hiervoor aan dat voor ondernemers in de inkomstenbelasting de achterwaartse verliesverrekeningstermijn langer is (namelijk drie jaar) en dat zij dus meer mogelijkheden hebben om in een eerder stadium een verlies uit 2020 te kunnen verrekenen. Dat neemt – ons inziens – niet weg dat hiertoe wel eerst de aangifte IB 2020 moet zijn ingediend en er zodoende dus een aanzienlijke – ongewenste - vertraging kan optreden.

 

TOGS en TVL vrijgesteld van belastingheffing

 

De Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS) was een van de noodmaatregelen van het kabinet  om ondernemers die directe schade ondervonden van diverse kabinetsmaatregelen tegemoet te komen. De ondernemers die in de betreffende sectoren vielen, die aanspraak konden maken op de TOGS konden een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 netto krijgen waarmee ze hun vaste lasten konden betalen. Deze regeling is inmiddels niet meer aan te vragen.

 

Na de TOGS is daar de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) bij gekomen. De TVL helpt mkb-bedrijven in aangewezen getroffen sectoren (met maximaal 250 werknemers) met het voldoen van een deel van hun vaste lasten in juni, juli, augustus en september 2020. De subsidie is voor bedrijven die meer dan 30% van hun omzet hebben verloren door de coronacrisis.

 

Afhankelijk van de hoogte van de vaste lasten en het omzetverlies kan de subsidie oplopen van  minimaal €1.000 tot maximaal € 50.000. De TVL komt bovenop de NOW-regeling.

 

De baten wegens de TOGS-regeling en de TVL-regeling zijn vrijgesteld voor de inkomstenbelasting (IB ondernemers) en de vennootschapsbelasting. Uitkeringen uit hoofde van de NOW-regelingen zijn wel belast voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting.

 

Commentaar

Alhoewel de eerste TVL-regeling ziet op een tegemoetkoming voor de vaste lasten in juni – september 2020, kan de tegemoetkoming nog steeds, t/m 30 oktober 2020, worden aangevraagd. De TVL-regeling is verlengd en de nieuwe regeling geldt voor bedrijven in getroffen sectoren voor vaste lasten in driemaandsperiodes (vierde kwartaal 2020 en eerste en tweede kwartaal 2021). Aanvragen moeten tijdig worden ingediend.

 

Reeds eerder genomen/aangekondigde maatregelen

 

Verdere afbouw ‘vergeldingstarief’ aftrekposten

Al vanaf 1 januari 2019 zijn aftrekposten nog slechts in de tweede schijf aftrekbaar tegen een beperkt tarief. Stapsgewijs zullen aftrekposten in box 1 in de inkomstenbelasting uiteindelijk (vanaf 2023) nog slechts tegen het Iage tarief van 37,05% kunnen worden verzilverd. Voor ondernemers betekent dit dat voor de volgende aftrekposten het tarief waartegen kan worden afgetrokken steeds lager wordt:

 

  • De zelfstandigenaftrek;
  • De speur- en ontwikkelingsaftrek;
  • De meewerkaftrek;
  • De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid;
  • De stakingsaftrek;
  • De MKB-winstvrijstelling; en
  • De terbeschikkingsstellingsvrijstelling.

 

Het percentage waartegen een aftrekpost maximaal kan worden vergolden ontwikkelt zich de komende jaren als volgt. Het kabinet houdt vast aan deze tabel, dus voor 2021 geldt een maximaal aftrektarief van 43%.

 

 

Maximale aftrek in de tweede schijf

 

2020

 

46,0%

2021

 

43,0%

2022

 

40,0%

2023

 

37,05%

 

Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

Aanmerkelijkbelanghouders hoeven geen belasting te betalen wanneer geld wordt geleend van de eigen vennootschap. Wanneer geld uit de bv als loon of dividend wordt uitgekeerd is dit anders; dan moet er wel belasting worden betaald. Om de ‘leenprikkel’ weg te nemen worden vanaf 2023 de mogelijkheden beperkt voor aanmerkelijkbelanghouders (aandeelhouders met tenminste 5% aandeel) om onbelast geld te lenen van hun eigen vennootschap. Zij kunnen dan nog zonder belastingheffing tot € 500.000 lenen. Over het bedrag dat boven de € 500.000 uitkomt moet vanaf dan inkomstenbelasting worden betaald (box 2). De grens van € 500.000 geldt als startpunt. Jaarlijks wordt de grens verhoogd met de hoogte van de schuld waarover al eerder belasting is betaald. Dit voorkomt dat jaarlijks hetzelfde gedeelte wordt belast.

 

De maatregel geldt voor alle schulden van de aandeelhouder, met uitzondering van bestaande eigenwoningschulden. Voorwaarde hiervoor is dat een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap. Voor eigenwoningschulden die zijn aangegaan vóór 31 december 2022 geldt de uitzondering ook zonder het verstrekken van dit recht van hypotheek.

 

Commentaar

Deze maatregel kan grote impact hebben op ondernemers met grote schulden aan hun eigen vennootschap. Deze dienen actie te ondernemen om te voorkomen dat ze door deze maatregel worden geraakt per 1 januari 2023. Indien nog in 2020 dividend wordt uitgekeerd kunnen deze ondernemers profiteren van het lagere box 2-tarief. Raadpleeg wel eerst uw adviseur.

 

Verder aangekondigde maatregelen

 

Verruiming en beperking verliesverrekening

Het kabinet heeft aangekondigd dat het wetsvoorstel Belastingplan 2021 nog zal worden aangepast waardoor vanaf 1 januari 2022 fiscale verliezen voorwaarts en achterwaarts slechts tot een bedrag ad € 1 miljoen volledig verrekenbaar zijn. Bij een hogere winst zijn in een jaar de verliezen slechts tot 50% van die hogere belastbare winst verrekenbaar. De achterwaartse verliesverrekening blijft een jaar en de voorwaartse verliesverrekening wordt onbeperkt in de tijd (thans maximaal zes jaar voorwaartse verrekening).

 

Commentaar

De details van de aangekondigde wetswijziging zijn nog niet bekend. Voor bedrijven met hoge compenseerbare verliezen is het mogelijk interessant om in 2021 fiscale boekwinsten te forceren waardoor vanaf 2022 hogere fiscale afschrijvingen mogen worden opgevoerd. Voor dergelijke fiscale afschrijvingen zal naar verwachting geen aftrekbeperking gaan gelden.

 

Introductie Baangerelateerde Investeringskorting (BIK)

Bij nota van wijziging op het Belastingplan 2021 zal het kabinet per 1 januari 2021 een Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) voorstellen. De BIK laat ondernemers een percentage van de gedane investeringen in mindering brengen op de loonheffing. De maatregel heeft een budgettair belang van circa € 2 miljard. Het kabinet wil deze korting tijdelijk invoeren per 2021 als crisismaatregel.

 

Commentaar

De introductie van een Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) wordt voorgesteld als compensatie voor het niet doorgaan van de verlaging van het hoge vennootschapsbelastingtarief van 25% naar 21,7%. Doelstelling is om het doen van investeringen te stimuleren door middel van het verlagen van arbeidskosten. Hoewel het nog afwachten is hoe de regeling er precies uit gaat zien zal deze regeling ook aantrekkelijk zijn voor belastingplichtigen die niet aan het hoge vennootschapsbelastingtarief van 25% onderworpen waren en kan daarmee gezien worden als een gunstige maatregel voor het MKB.

 

Belasting- en invorderingsrente

Onderdeel van het op 28 augustus 2020 aangekondigde corona steun- en herstelpakket betreft het (grotendeels) verlengen van de verlaagde rentetarieven bij de belasting- en invorderingsrente.

De invorderingsrente blijft hiermee t/m 31 december 2021 0,01%. Deze invorderingsrente geldt onder andere voor belastingschulden waarvoor wegens corona door de Belastingdienst uitstel van betaling is verleend en die uiterlijk vanaf 1 januari 2021 moeten worden afgelost, in maximaal 24 maandelijkse termijnen.

De belastingrente gaat per 1 oktober 2020 t/m 31 december 2021 voor alle belastingmiddelen terug naar 4%. Voor de vennootschapsbelasting is dit lager dan het oorspronkelijke tarief van 8%. De belastingrente wordt onder andere in rekening gebracht indien de inkomsten- en vennootschapsbelasting 6 maanden na het betreffende belastingjaar nog niet is opgelegd. Om belastingrente te voorkomen moeten voorlopige aanslagen tijdig worden aangevraagd.

 

Beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling

Voorgesteld wordt om de liquidatieverliesregeling per 1 januari 2021 te beperken door de regeling uit te breiden met drie nieuwe voorwaarden: een kwantitatieve, een territoriale en een temporele voorwaarde.   Door invoering van een drempelbedrag van € 5 miljoen voor de kwantitatieve en territoriale voorwaarden zullen liquidatieverliezen tot € 5 miljoen meestal nog wel steeds volgens de bestaande regels in aftrek kunnen worden gebracht, mits het vereffeningstijdstip voldoet aan de nieuwe temporele voorwaarde. De drie voorwaarden worden hierna nader toegelicht..

 

De kwantitatieve voorwaarde houdt in dat de belastingplichtige (eventueel mede via lichamen waar belastingplichtige doorslaggevende zeggenschap heeft) de doorslaggevende zeggenschap heeft in het ontbonden lichaam.

 

De territoriale voorwaarde behelst dat het ontbonden lichaam direct of indirect is gevestigd in Nederland, een andere lidstaat van de EU, de EER of een staat waarmee de EU een specifieke associatieovereenkomst heeft gesloten (ten aanzien van deze laatste categorie kwalificeert thans alleen Turkije).

 

Aan de kwantitatieve en territoriale voorwaarde moet zijn voldaan gedurende 60 maanden (de toetsperiode) voorafgaand aan het voltooien van de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam (toetsingstijdstip). Indien de ontbonden rechtspersoon gedurende de toetsperiode is opgericht of verkregen, dient gedurende de gehele bezitsperiode te zijn voldaan aan de kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden.

 

Indien niet is voldaan aan de kwantitatieve en territoriale voorwaarde, is het liquidatieverlies vanaf 1 januari 2021 slechts aftrekbaar tot maximaal € 5 miljoen (de franchise).

 

Er komt ook een temporele voorwaarde waaraan in alle gevallen moet zijn voldaan. Het liquidatieverlies is alleen aftrekbaar indien de vereffening van het vermogen is voltooid binnen een termijn van drie kalenderjaren na het kalenderjaar waarin de direct of indirect gedreven onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt. Anders dan bij de kwantitatieve en territoriale voorwaarde is de franchise bij de temporele voorwaarde dus niet van toepassing.

Er geldt een overgangsregeling indien de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt voor 1 januari 2021. In dat geval moet de vereffening uiterlijk op 31 december 2023 zijn voltooid.

Er geldt een tegenbewijsregeling; indien de belastingplichtige voldoet aan de verzwaarde bewijslast om ‘aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval te doen blijken dat het op een later tijdstip voltooien van de vereffening niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting’ mag na het verstrijken van de driejaarperiode ook een liquidatieverlies worden afgetrokken bij een latere voltooiing van de vereffening.

 

Voor stakingsverliezen wegens de staking van vaste inrichtingen geldt per 1 januari 2021 een inperking die materieel in grote lijnen overeenkomt met de inperking van de liquidatieverliesregeling.

 

Commentaar

Bij grote latente liquidatieverliezen (>€ 5 miljoen) die betrekking hebben op deelnemingen die niet voldoen aan de kwantitatieve en territoriale voorwaarde, zal moeten worden gestreefd naar voltooiing van de vereffening uiterlijk op 31 december 2020. Als dat niet lukt zal de aftrekpost maximaal € 5 miljoen zijn. Ook bij grote latente stakingsverliezen zal onder omstandigheden moeten worden gestreefd naar staking uiterlijk op 31 december 2020.

 

Toekomst van de fiscale eenheid

In de brief aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Vijlbrief van Financiën over de status van de invoering van een nieuw groepsconcept in de vennootschapsbelasting. Daarin wordt vastgesteld dat een wijziging van het fiscale eenheidsregime een zeer ingrijpend en complex wetgevingstraject met zich mee zal brengen, waardoor het niet realistisch is om binnen deze kabinetsperiode nog een wetsvoorstel in te dienen voor een nieuwe groepsregeling. De beslissing om een wetsvoorstel aan de Kamer aan te bieden, en de daarbij gekozen richting, wordt daarom aan een volgend kabinet overgelaten.

 

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

Het kabinet heeft aangekondigd dat in 2021 de bedrijfsopvolgingsregeling te gaan evalueren. De BOR kent grote vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting bij overdracht van ondernemingsvermogen inclusief de overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen. Het is niet zeker dat na de evaluatie de vrijstellingen in de huidige vorm blijven bestaan.

 

Commentaar

Indien overwogen wordt om op termijn de onderneming c.q. de aandelen over te dragen naar de bedrijfsopvolger met toepassing van de fiscale vrijstellingen, is het verstandig om daar niet te lang mee te wachten. Zeker na de evaluatie in 2021 kunnen de vrijstellingen worden ingeperkt.

 

E. (Elmer) van Lienen Adviseur loonheffingen
E. (Elmer) van Lienen, Adviseur loonheffingen
Andor Valkenburg - PKF Wallast
drs. A.T. (Andor) Valkenburg Vestigingsleider Amsterdam, Adviseur
Andor Valkenburg - PKF Wallast drs. A.T. (Andor) Valkenburg, Vestigingsleider Amsterdam, Adviseur
E. (Eelco) van der Vijver Adviseur
E. (Eelco) van der Vijver, Adviseur
A. (Ali) Benhammou LL.M. Adviseur
A. (Ali) Benhammou LL.M., Adviseur
mr. S. (Sicco) van den Berg Adviseur
mr. S. (Sicco) van den Berg, Adviseur
T.T. (Thomas) Genee LL.M., M.Sc. Adviseur
T.T. (Thomas) Genee LL.M., M.Sc., Adviseur
mr. drs. R.W. (Ruud) van der Linde Adviseur
mr. drs. R.W. (Ruud) van der Linde, Adviseur
mr. drs. M.A. (Mirella) Manca-van der Heyden Adviseur
mr. drs. M.A. (Mirella) Manca-van der Heyden, Adviseur
J. (Jan) Sanders BTW Adviseur
J. (Jan) Sanders , BTW Adviseur
Prof. dr. J.C.M. (Hans) van Sonderen Adviseur
Prof. dr. J.C.M. (Hans) van Sonderen, Adviseur
dr. J. (Jeroen) van Strien Hoofd Bureau Vaktechniek, Adviseur, universitair docent Vrije Universiteit Amsterdam
dr. J. (Jeroen) van Strien, Hoofd Bureau Vaktechniek, Adviseur, universitair docent Vrije Universiteit Amsterdam
Ron Henzen - PKF Wallast
mr. R.C. (Ron) Henzen Adviseur
Ron Henzen - PKF Wallast mr. R.C. (Ron) Henzen, Adviseur

Gerelateerde publicaties