Rechtsgeldig minimum van 4% voor rekenrente pensioen

Hof Amsterdam bevestigt dat de Belastingdienst lichamen mag verplichten om de fiscale waarde van een pensioenverplichting te waarderen tegen een rekenrente van minimaal 4%. Dit oordeel is van belang voor bv’s met geschillen met de inspecteur over de jaren vóór de afschaffing van het pensioen in eigen beheer.

Een bv vormt samen met een pensioen-bv een fiscale eenheid (FE) voor de vennootschapsbelasting. De pensioen-bv heeft een pensioenverplichting tegenover de dga van de FE en zijn echtgenote. Op 1 januari 2014 gaat de verplichting tot de uitkering in. Vervolgens ontstaat een geschil met de fiscus over de waardering van de pensioenverplichting op 31 december 2014. Volgens de Wet IB 2001 moet men een rekenrente hanteren van 4%. Lichamen mogen de verplichting bovendien niet hoger waarderen dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die verzekeraars vaak als uitgangspunt nemen. Deze laatste bepaling is overigens niet meer van toepassing sinds de afschaffing van het pensioen in eigen beheer in 2017. Bij een rekenrente van 4% bedraagt de pensioenverplichting € 1.583.570. Maar de bv wil uitgaan van de commerciële waarde. Zij past dan een rekenrente toe van 2,288% en komt dan uit op een verplichting van € 2.193.001.

 

Wetgever gaat voor duidelijkheid

 

Voor Hof Amsterdam neemt de bv het standpunt in dat de wetgever de discontofactor van 4% had moeten wijzigen. Dit minimum is volgens de bv een onevenredig zware maatregel. De rekenrente volgens actuariële maatstaven is namelijk lager. Het hof constateert dat de wetgever rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de marktrente minder dan 4% is. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om toch een minimum van 4% in te voeren. De wetgever wilde namelijk op dit punt duidelijkheid verschaffen. Volgens het hof bestaat tussen het doel en het middel een ‘fair balance’. Bovendien had deze rekenmethode in sommige jaren juist gunstig voor de bv kunnen uitpakken. Het hof meent daarom dat voor de bv geen sprake is van een individuele en buitensporige last. De rechter verklaart daarom het beroep van de bv ongegrond.

 

Bron: Gerechtshof Amsterdam 07-07-2020 (publicatie 29-07 2020), ECLI:NL:GHAMS:2020:1923, 19/00060)

Hoge Raad verduidelijkt onderzoeksplicht inspecteur

De inspecteur hoeft niet te twijfelen aan een ingediende aangifte. De aanwezigheid van een aanzienlijke kans op een voordeel uit aanmerkelijk belang sluit niet uit dat het voordeel [...]

Ratio verzet zich tegen verlengde navorderingstermijn

Bij buitenlandse inkomsten en buitenlands vermogen beschikt de Nederlandse fiscus over onvoldoende controlemogelijkheden. Met de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar heeft de Nederlandse fiscus meer controlemogelijkheden. Zijn die extra [...]

Podcast

In deze podcast gaan we met onze collega Jeroen van Strien in op de belangrijkste onderwerpen van het Belastingplan 2021 en welke kansen en bedreigingen dit voor u [...]

Gerelateerde publicaties