Geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel

Doordat Nederlandse grensarbeiders met een Belgische pensioenregeling door de Nederlandse Belastingdienst gunstiger worden behandeld, handelt de inspecteur in het geval van een in België wonende werknemer die wordt uitgezonden naar Nederland ten aanzien van zijn pensioenpremie in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Een in België wonende werknemer is door zijn werkgever vanaf 1 juli 2007 uitgezonden naar Nederland om daar werkzaamheden te verrichten. De werknemer heeft zijn Belgische pensioenregeling voortgezet. Deze pensioenregeling biedt de mogelijkheid om op of na de pensioendatum te kiezen voor uitbetaling van het totale bedrag ineens. De werkgever heeft de werkgeversbijdrage aan het pensioen gebruteerd tot het belastbaar loon gerekend en de werknemersbijdrage ingehouden op het loon van de werknemer. Op verzoek van de werknemer heeft de inspecteur de Belgische pensioenregeling aangewezen als een zuivere pensioenregeling in de zin van de Wet LB 1964 voor de periode van vijf jaar van 1 juli 2007 tot 1 juli 2012. Over 2013 doet de werknemer aangifte inkomstenbelasting waarbij hij, naast de aftrek van loon over in het buitenland gewerkte dagen, de ingehouden pensioenpremie en het werkgeversdeel van de pensioenpremie aftrekt van zijn belastbaar loon. De inspecteur heeft vervolgens een aanslag opgelegd, waarbij hij de aftrek van pensioenpremie niet accepteert. Hof Den Bosch overweegt als volgt. De Belgisch pensioenregeling voldoet niet aan de voorwaarden van de Wet LB 1964, vanwege de mogelijkheid tot omzetting in een eenmalig kapitaal. Op grond van het belastingverdrag Nederland – België kunnen bijdragen aan een goedgekeurde Belgische pensioenregeling onder voorwaarden gedurende vijf jaar voor de Nederlandse belastingheffing op dezelfde manier worden behandeld als bijdragen aan een Nederlandse pensioenregeling die voldoet aan de voorwaarden in de Wet LB 1964. In het besluit van 31 januari 2008 van de staatssecretaris van Financiën is de aanwijzing en voorwaarden voor de aanwijzing van de pensioenregeling uit een andere EU-lidstaat geregeld. Dit besluit is op 9 oktober 2015 geactualiseerd. Daarbij is de termijn van de goedkeuring van vijf jaar verlengd naar tien jaar, op voorwaarde dat in het belastingverdrag geen termijn is genoemd. Volgens de werknemer kunnen het bepaalde in het belastingverdrag en de goedkeuring in het besluit achtereenvolgens worden toegepast en moet om die reden de Belgische pensioenregeling voor een periode van tien jaar worden goedgekeurd. Het hof verwerpt dit standpunt. In het belastingverdrag Nederland – België is een periode van vijf jaar overeengekomen. De werknemer wordt echter wel nadeliger behandeld dan de grensarbeider die in Nederland woont en in België werkt. Door omrekening van het Belgische inkomen naar Nederlandse maatstaven wordt bij deelname aan een Belgische pensioenregeling de aanspraak namelijk niet tot het inkomen gerekend en komt de door de werknemers betaalde pensioenpremie in mindering op het brutoloon. Dit vindt ook plaats wanneer de desbetreffende grensarbeider zowel in Nederland als in België werkt, waardoor een deel van zijn inkomen in Nederland belast is. Die situatie is vergelijkbaar met die van de werknemer in deze zaak, maar de belastingheffing over de pensioenpremie wordt dus verschillend behandeld. Het hof oordeelt daarom dat de inspecteur handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de aanspraak te belasten en aftrek van de werknemersbijdrage aan de pensioenpremie op het loon van de werknemer niet toe te laten. Het hoger beroep is gegrond.

 

Bron: Hof Den Bosch 25-1-2019

 

Niet-verplichte agiostorting op derdenrekening valt in box 3

Het overboeken van geld op de derdenrekening van een notaris leidt niet tot een vermogensoverdracht als geen afdwingbare verplichting tot die storting is aangegaan. Het gevolg is dat [...]

HR: inspecteur moet ongebruikelijkheid WKR aantonen

De Hoge Raad is van oordeel dat de inspecteur zijn standpunt dat aanwijzing van een beloning als eindheffingsbestanddeel ongebruikelijk is, met feiten en omstandigheden moet onderbouwen.

Gerechtshof: opzeggen ‘per’ 1 maart betekent dat de laatste werkdag 1 maart is!

Vaak wordt in een vaststellingsovereenkomst of opzeggingsbrief opgenomen dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd of eindigt per (bijvoorbeeld) 1 maart. Hiermee wordt in de arbeidsrechtpraktijk dan bedoeld dat de [...]
2019 2018 2017 2016 2015 2014 2013 2004
 

Gerelateerde publicaties