Gevallen van btw-ketenfraude betreffen vaak kortdurende en intensieve handel met een bepaalde afnemer, die vervolgens wordt vervangen door een andere afnemer, zo constateert Hof Arnhem-Leeuwarden. Daarom hoeft een ondernemer afnemers aan wie hij gedurende langere tijd goederen levert minder kritisch te controleren op mogelijke btw-fraude.
Het Unierecht verplicht de Belastingdienst de toepassing van het nultarief accepteren als is voldaan aan de daartoe vereiste materiële voorwaarden. Deze voorwaarden houden in dat de goederen zijn vervoerd naar een andere lidstaat en dat de afnemer deze goederen verwerft in zijn hoedanigheid van btw-ondernemer. Maar de fiscus mag de toepassing van het nultarief wel weigeren als:
- niet is voldaan aan de formele voorwaarden, zodat niet valt te controleren of is voldaan aan de materiële voorwaarden; of
- sprake is van een keten waarin btw-fraude plaatsvindt en de belastingplichtige ondernemer weet of had moeten weten dat hij hieraan deelnam.
In de desbetreffende zaak is het de vraag of de belanghebbende ondernemer, een bv, op de hoogte was van het feit dat zij tot 1 januari 2018 auto’s leverde aan een afnemer in Estland die geen intracommunautaire verwerving heeft opgegeven. Het hof is het met de fiscus eens dat de bv niet heel erg kritisch is geweest ten aanzien van deze afnemer. Maar dat wil nog niet zeggen dat de bv van de btw-fraude had moeten weten. Vaak gaat het bij btw-ketenfraude om intensief maar kortdurend handelen van een leverancier met een afnemer. Deze afnemer wordt vervolgens weer vervangen door een andere afnemer. In de zaak voor het hof heeft de bv jarenlang auto’s geleverd aan de Estlandse afnemer. Daarbij gaf de bv deze leveringen steeds op in haar opgaven van intracommunautaire transacties (listing) zonder dat het kwam tot een melding van een mismatch tussen de leveringen en de verwervingen. Onder deze omstandigheden hoeft een ondernemer zijn afnemer niet zo kritisch te controleren, aldus het hof. Bovendien weet de inspecteur niet aannemelijk te maken dat de bv van de btw-ketenfraude heeft geprofiteerd. Zij heeft alleen winst behaald op de verkoop van de auto’s. De fiscus mag daarom de toepassing van het nultarief niet weigeren door de bv een naheffingsaanslag op te leggen over de periode vóór 1 januari 2008. Overigens heeft de bv vanaf 1 januari 2008 auto’s geleverd aan de Estlandse rechtspersoon die haar enig aandeelhouder en bestuurder had opgericht. Deze rechtspersoon gaf evenmin een intracommunautaire transactie op, maar dat had de bv wel moeten weten. Over de periode vanaf 1 januari 2008 mag de inspecteur wel naheffen.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2019